Veel gestelde vragen

 

Wat is overbevissing eigenlijk? 

Visserijbiologen onderscheiden twee vormen van overbevissing:

  1. Als door een hoge visserijdruk vis al op een jonge leeftijd wordt gevangen, waardoor de vissen minder kans hebben om ouder en dus zwaarder te worden, dan noemen ze dat ‘gewichtoverbevissing’. Het visbestand wordt dus niet uitgeroeid, maar minder visserij zou een hogere opbrengst geven. 
  2. Als door een hoge visserijdruk de voortplantingsmogelijkheden van vissen in gevaar wordt gebracht, dan noemen ze dat ‘recruteringsoverbevissing’. Er zijn nog maar weinig geslachtsrijpe vissen, waardoor het jaren kan duren voordat het bestand weer op een goed niveau terecht komt. 

Visserbiologen proberen uit te rekenen hoeveel vissen van een bepaalde soort in de zee moeten zwemmen om de voortplanting en de visserij in balans te houden. Dat is vreselijk lastig. De groei van een visbestand is namelijk niet alleen afhankelijk van het aantal geslachtsrijpe vissen, maar ook van de overleving van eitjes en larfjes en van de groeivoorwaarden (bijvoorbeeld voedsel). 

Het is belangrijk dat we ons realiseren dat overbevissing een technische term is die iets zegt over de visserijdruk. Een minder gezond bestand kan ook het gevolg zijn van andere factoren dan visserij. Zo is er bekend dat klimaatveranderingen of een toename van predatie ook grote gevolgen kunnen hebben. 

 

Klopt het dat er vangsten overboord gaan (discards)? 

Er bestaat geen vismethode die uitsluitend de doelsoort vangt. Dat betekent dat met elk type visserij in meer of mindere mate andere soorten worden gevangen, de zogenaamde bijvangst. Er bestaat een aantal verschillende bijvangsten:

  • soorten die niet tot de doelsoort behoren, maar wel commercieel interessant zijn en aangeland kunnen worden;
  • commercieel interessante vissen die te klein zijn en onder de Europees vastgestelde minimum maat ligt; 
  • commerciële vissen waarvan het quotum al is opgevist en die de visser dus niet meer aan wal mag brengen;
  • commerciële vis waarvoor een visser geen quotum heeft en dus niet mag worden aangeland;
  • niet-commerciële vis dat wil zeggen vis die op de markt niets waard is of niet eetbaar is;
  • andere organismen (zoals bodemdieren).

Alles wat niet gebruikt en aangeland kan of mag worden en overboord gaat, heet discards. Een visser heeft in beperkte mate invloed op de hoeveelheid en samenstelling van discards door het kiezen van vangsttechniek, plaats, tijdstip en vissnelheid. Vissers hebben liever geen bijvangst, omdat het uitzoeken ervan tijd kost, er beschadiging van netten kan optreden en het zonde is om vis overboord te moeten zetten. In de Nederlandse vissector vindt gericht onderzoek plaats naar vermindering en overleving van discards.

 

Wat is de kuitzieke periode? 

In de eerste paar maanden van het jaar planten schollen zich voort. De schol heeft dan kuit in het lichaam. Kuit produceren kost energie waardoor de vis op dat moment mager is. Om te zorgen dat de schollen zich kunnen voortplanten voordat ze worden opgevist, hebben de Nederlandse vissers een aantal jaren vrijwillig afgesproken om in deze periode minder te vissen. Dit is de kuitzieke periode. 

De Nederlandse vissers die op platvis vissen, hebben tijdens de kuitzieke periodes steeds afwisselend gevist om te zorgen dat de aanvoer niet helemaal stopte. De consumenten willen namelijk wel het hele jaar schol blijven eten. Sommige winkels verkopen in deze periode helemaal geen platvis. Andere visdetaillisten vriezen schol die in het vierde kwartaal is gevangen in, zodat ze de consument in het eerste kwartaal daarna niet teleur hoeven te stellen.

 

Is de Nederlandse trawlervisserij bij Mauretanië schadelijk? 

Nee. De Nederlandse trawlervisserij beseft dat het beheren van de visbestanden ook in hun belang is. Daarom zijn er goede afspraken met de regering over de vangsten in de Mauretaanse wateren. Zo wordt van te voren bepaald hoeveel vis de plaatselijke visserij nodig heeft en wordt de visstand door biologen in de gaten gehouden. Dit laatste wordt door de reders bekostigd. Meer informatie hierover op de site van de PFA.

 

Hoe komt beheer van de visbestanden tot stand?

Elk jaar nemen de Europese Visserijministers op basis van biologische adviezen een besluit hoeveel er mag worden gevist. Dit Europese TAC (maximaal toegestane vangst) per soort wordt vervolgens verdeeld over de lidstaten waarbij elke lidstaat haar eigen quotum krijgt (= aandeel TAC). In Nederland worden de verschillende quota vervolgens verder verdeeld over individuele vissers die met elkaar verenigd zijn in beheergroepen. In deze beheergroepen kunnen Nederlandse vissers quota ruilen of huren van en aan elkaar. Dit systeem is uniek in Europa wordt veelal als goed voorbeeld gesteld. De hoogte van de TAC’s hangt van verschillende factoren af, bijvoorbeeld de omvang van het bestand, de groeisnelheid van de vis, beschikbaarheid van voedsel en het klimaat. Voor soorten waarvoor het toch minder goed gaat worden extra maatregelen getroffen. Voor kabeljauw is bijvoorbeeld een herstelplan opgesteld. De visbestanden worden dus met veel aandacht beheerd.

Meer informatie over quota

 

Print pagina

Genomineerden Verantwoorde Visprijs 2010